Werf
Aanvang van de werken
Bakstenen uit verschillende productieperioden zullen haast steevast lichtjes in kleur verschillen omwille van uiteenlopende technische beperkingen van het productieproces dat, hoewel sterk geautomatiseerd, nog steeds verloopt volgens dezelfde procédés als weleer (inhomogene kleisamenstelling in de groeve, verschillen van het gehalte metaaloxides, …).
Opdat deze kleurvariaties in het metselwerk geen aanleiding zouden geven tot "kleurvlakken" dienen de stenen uit verschillende pakken onderling vermengd te worden. Minstens 4 pakken worden gelijktijdig diagonaal afgestapeld. Bijgevolg moeten alle benodigde stenen op de werf aanwezig zijn bij aanvang van het werk.
De bakstenen worden tijdens de opslag beschermd tegen neerslag en tegen een natte ondergrond. In het winterseizoen eveneens vermijden dat de snelbouwbakstenen voor binnenmetselwerk (dat niet vorstbestand hoeft te zijn) nat worden.
Aanbrengen van uitzettingsvoegen
Het is aanbevolen om de uitzettingsvoegen in het gevelmetselwerk bij goed geïsoleerde spouwmuren vooraf vast te leggen. Deze worden elke 15 à 20 m aangebracht, bij voorkeur op plaatsen die gevoeliger zijn voor scheurvorming zoals aan vensteropeningen of andere discontinuïteiten in het metselwerk.
Een goede afstemming tussen mortel en baksteen, na overleg met de fabrikanten, kan toelaten om deze lengte te verhogen.
Een wapening van het metselwerk laat toe om de afstand tussen uitzettingsvoegen te verdubbelen.
Uitzettingsvoegen worden vaak verhuld door ze bijvoorbeeld te verbergen achter regenpijpen.
Bescherming tijdens het metselen
Vers metselwerk is het kwetsbaarst tijdens en juist na zijn voltooiing. Wil men zowel de stabiliteit als de esthetische kwaliteit van het gepresteerde werk optimaliseren dan zijn een aantal beschermende ingrepen ten zeerste aan te bevelen.
NBN B 24-401: ‘Uitvoering van metselwerk’ gaat hier dieper op in. De belangrijkste maatregelen betreffen de mortel:
Voorbereiding van mortel
-
De aan de aard van het metselwerk aangepaste mortel gebruiken.
-
Geen cement met een hoog gehalte aan sulfaten in de mortel verwerken.
-
Voorzichtig omspringen met eventuele hulpmiddelen.
-
Steeds zuiver water gebruiken en nagespoelde kuipen.
-
De mortel verwerken voor de binding begint, dit is ten laatste 2,5 uur na de bereiding.
Belasten van het metselwerk
-
Een termijn van 16 uur in acht te nemen vooraleer de vloer te leggen.
-
Een termijn van 24 uur voor puntlasten.
-
Niet-dragende muren mogen niet als bekisting gebruikt worden.
Bescherming tegen weersinvloeden
Deze bescherming is zeer belangrijk om uitbloeiingen te vermijden.
-
De bakstenen worden tijdens de opslag beschermd tegen neerslag en tegen een natte ondergrond.
In het winterseizoen vermijden dat de snelbouwbakstenen voor binnenmetselwerk (dat niet vorstbestand hoeft te zijn) nat worden.
-
Bij zeer warm en droog weer het metselwerk regelmatig, maar licht besproeien om uitdroging van de mortel te vermijden voor hij volledig is uitgehard.
-
Bij neerslag niet metselen of geen beton gieten, vanwege het gevaar voor uitspoelen van de mortel of het beton.
-
Op het einde van elke werkdag het vers metselwerk beschermen door een waterdichte laag (plastiekfolie). Deze moet minstens een hoogte van 60 cm bedekken en zodanig worden vastgelegd dat bij wind de panden blijven afhangen. Dit kan door aan de uiteinden panlatten vast te nieten
-
Bij regenachtig weer moet vers gegoten beton overdekt worden met een waterdichte laag om te vermijden dat met het regenwater de vrije zouten uit het beton gespoeld worden en in de bakstenen dringen. Anders komen de uitgespoelde zouten later bij het opdrogen van het baksteenmetselwerk tevoorschijn.
Indien één of meerdere maatregelen niet of onvoldoende worden toegepast kan het metselwerk achteraf uitbloeiingen gaan vertonen, die meestal onschadelijk zijn maar de verdere afwerking van het metselwerk hinderen.
Uitbloeiingen zijn zoutachtige afzettingen die kunnen voorkomen als witte nevel, vlokken of harde korsten. Wanneer water zich door capillariteit verplaatst in de poriën van het metselwerk worden oplosbare zouten meegevoerd. Deze zetten zich af aan de oppervlakte van het metselwerk waar ze door verdamping kristalliseren. De meest voorkomende zoutsoorten zijn de alkalische (natrium en kalium) en de magnesiumsulfaten. Salpeter-uitbloeiingen komen uitsluitend voor in de nabijheid van meststoffen.
Deze zouten kunnen o.a. in het metselwerk komen door opstijgend grondwater, maar ook door reactie van de mortel met de baksteen onder gunstige weersomstandigheden, nl. bij regen. Het risico is des te groter bij vers metselwerk aangezien het poriënstelsel van de verse mortel nog te weinig uitgebouwd is om te beletten dat water in de capillairen van de baksteen verdwijnt. Een goede afscherming van het jong metselwerk tegen de regen is bijgevolg onontbeerlijk. |