Milieu en Energie
Brandstoffen en energieverbruik
Het drogen gebeurt in droogkamers. De temperatuur en de vochtigheidsgraad worden met precisie geregeld in elk stadium van het droogproces. Tijdens het droogproces ontstaan geen emissies, uitgezonderd van waterdamp.
Het energieverbruik is laag in vergelijking met deze die nodig is voor het bakken van de producten. Bovendien kan de warme lucht afkomstig van de afkoelingszone van de tunneloven gerecupereerd en gebruikt worden in de droogkamer. Op deze manier kan het energieverbuik beperkt worden.
Het bakken van baksteen vereist een aanzienlijk energieverbruik om de temperatuur in de oven voorbij 1000°C te krijgen.
Sinds de jaren ’70 is het energieverbruik voor de productie van baksteen (specifiek energieverbruik) met 50% afgenomen. Dit is te danken aan het voortdurend investeren, aan het ontwikkelen van steeds betere droogovens en moderne bakovens, aan de verbetering van hun energetische doeltreffendheid en aan het opvolgen van de productie met de computer. Ook heeft men bijgedragen tot een wijziging in het gebruik van brandstoffen. Waar men voornamelijk stookolie gebruikte sinds het begin van de jaren 70, is de meest gebruikte brandstof vervolgens aardgas geworden, een zeer weinig vervuilende energiebron; deze vertegenwoordigt een grootorde van 80 % van het totale energieverbruik.
Enige tijd geleden zijn de steenbakkerijen een convenant aangegaan met de gewestelijke overheden om de laatste paden te bewandelen die nog een verbetering in de productie en het energieverbruik mogelijk maken; het betreft het detecteren van de laatste energiewinsten aangezien het energieverbruik tot een minimum beperkt is.
Luchtemissies
Het bakproces brengt luchtemissies met zich mee. De stof- en gasvormige emissies zijn door de strenge milieuwetgeving onderworpen aan emissiegrenswaarden en regelmatige meetcampagnes door erkende instellingen; de samenstelling van de rookgassen wordt geanalyseerd.
De toepassing van beste beschikbare technieken laat toe aan de van kracht zijnde emissienormen te voldoen.
Zelfs indien de groeven, het transport en de productiehallen bronnen zouden kunnen zijn van mogelijke hinder – lawaai, stof, vervoer, uitstoot van gasvormige stoffen, zichtbelemmering - , moet men toch benadrukken dat een dertigtal productieplaatsen volstaan om de Belgische consumptie te dekken.
Ten andere zal de uitbating van een groeve altijd gevolgd worden door een herinrichting, vaak tot beschermd natuurgebied.
De sector zet alles in het werk om de hinder tot een minimum te beperken, zowel op lokale schaal als op wereldschaal. Een voortdurende verbetering van de beschikbare technieken laat enerzijds toe de energie op een meer rationele wijze te gebruiken en anderzijds de luchtemissies te verminderen. |